Skip to main content
< Alle onderwerpen

Gedrag veranderen voor meer werkgeluk

Gedrag veranderen voor meer werkgeluk

Gedrag veranderen voor meer werkgeluk

Gedrag veranderen voor meer werkgeluk: Als je een andere uitkomst wilt, bijvoorbeeld meer werkgeluk dan je nu ervaart, zul je je gedrag moeten veranderen. We denken vaak dat dat moeilijk is. Als we kijken naar goede voornemens, die velen van ons op 1 januari of na een vakantieperiode hebben, lijkt dat ook te kloppen. Het lukt maar 8 procent van de mensen om dit nieuwe gedrag langere tijd vol te houden. Bij de overige 92 procent lukt het dus niet. Er zijn talloze redenen waarom onze goede voornemens in rook opgaan. We vergeten gewoon weer wat we ook alweer anders wilden doen, we veranderen van gedachte door nieuwe informatie, of we vinden het hele idee toch niet meer zo aantrekkelijk als we het in de praktijk moeten gaan brengen. Toch is het niet waar dat het moeilijk is om je gedrag te veranderen. Het is prima te doen, als je maar weet hoe het moet en als je het maar goed ontwerpt. Als je de stappen goed inricht en begint met een growth mindset, is je goede voornemen langere tijd volhouden wél haalbaar.

 

Gedrag heeft drie aanjagers: motivatie, capaciteit en omgeving. Elk van deze factoren is op hetzelfde moment nodig om gedrag te laten plaatsvinden. Motivatie gaat over willen: waarom wil je bepaald gedrag veranderen, wat levert je dat op? Capaciteit gaat over de vraag of je in staat bent het gedrag te laten zien en omgeving gaat over de omstandigheden die het gedrag oproepen, ook wel triggers genoemd.

 

 ‘Als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg.’ – Albert Einstein

 

Motivatie

Motivatie is wat mensen in eerste instantie in beweging zet. Het is de innerlijke drang een bepaald doel te bereiken. Motivatie is grillig en kan gedurende de dag nogal fluctueren; zo hebben de meeste mensen in de ochtend meer motivatie om moeilijke klussen te doen dan aan het einde van een werkdag. Je doel helder en concreet maken helpt om je motivatie op peil te houden.

 

Hulpvragen bij het helder maken van je doel

  • Wat wil ik veranderen?
  • Waarom wil ik dit precies?
  • Is het doel echt belangrijk voor me?
  • Hoe gaat het behalen van dit doel mijn leven beter maken?
  • Hoe geeft het behalen van dit doel mij een goed gevoel?
  • Hoe ziet de gewenste uitkomst er precies uit, wat is er dan anders dan nu?

 

Het verschil tussen doel en gedrag

Het stellen van doelen leidt niet automatisch tot het veranderen van gedrag. Uit onderzoek blijkt dat mensen vaak afhaken doordat het gedrag dat nodig is om het doel te bereiken niet duidelijk genoeg geformuleerd is. Je moet daarvoor de vertaalslag maken van doel naar concreet gedrag. Stel, je doel is werkgeluk door betere samenwerking. Het spreekt je aan omdat je denkt dat dat je werk leuker zal maken en dat je daarmee effectiever en productiever zult zijn. Welk gedrag hoort daar dan bij? Door dat concreet te benoemen wordt het helder wat je precies gaat doen. En dat vergroot de kans op succes aanzienlijk. In dit voorbeeld kun je ervoor kiezen elke week minimaal één keer positieve feedback te geven aan een collega, op maandag te vertellen waar jij mee bezig bent en bij de koffiemachine dagelijks te informeren bij je een collega wat hem of haar bezighoudt. Een goede vuistregel om te checken of je gedrag concreet genoeg is, is of je de volgende twee vragen met ‘ja’ kunt beantwoorden:

  1. Kan ik er een filmpje van maken?
  2. Kan ik het hier en nu doen?

‘Betere samenwerking’ kun je niet hier en nu doen, ‘positieve feedback geven’ wel.

 

Ieder gedrag levert een beloning op

Gedrag levert ons altijd een beloning op, anders doen we het niet. Niet altijd is echter duidelijk wat die beloning is. Het helpt om dit te achterhalen om gedrag af dan wel aan te leren. Mensen doen vaak dingen die helemaal niets goeds opleveren. Een collega op een vervelende manier kritiek geven kan op de korte termijn wel een gevoel van superioriteit opleveren, maar leidt op de lange termijn niet tot meer verbondenheid en werkgeluk. Die kortstondige positieve emotie, veroorzaakt door het gevoel van superioriteit direct na het gedrag, is hierbij ‘de beloning’. Die zorgt ervoor dat we dit gedrag vaker vertonen, ondanks dat dit gedrag niet leidt tot werkgeluk en dus eigenlijk niet is wat we willen.

 

Motivatie vergroten

Je kunt je motivatie vergroten door:

  • het doel en wat het je oplevert helder voor ogen te hebben;
  • je voortgang bij te houden door het op te schrijven;
  • aan anderen te vertellen wat je wilt gaan doen;
  • het nieuwe gedrag samen met anderen te doen, dan help en motiveer je elkaar;
  • een beloning te koppelen aan het nieuwe gedrag.

 

Annie: ‘Kan ik die beloning dan ook zelf regelen?’

Jazeker, als je nieuw gedrag wilt vertonen, helpt het om vooraf na te denken over de beloning daarbij. Is die niet heel voor de hand liggend, bedenk dan hoe je er wel een goed gevoel bij kunt krijgen. Dat kan ook door zoiets simpels als ‘woohoo’ roepen of jezelf een boks in de lucht geven.

 

Capaciteit

De tweede factor die nodig is voor gedrag, is capaciteit, ook wel vaardigheid genoemd. Het gaat er daarbij om dat je het kunt, oftewel dat je in staat bent het gedrag te laten zien. Stel, je wilt vaker samen met je collega lunchen. Daarvoor is het nodig dat jullie tijdens lunchtijd allebei beschikbaar zijn, dat er een plek is waar jullie samen kunnen lunchen en dat je allebei iets te eten hebt. Samen lunchen is dan mogelijk.

Als je de capaciteit niet hebt om het gewenste gedrag ook daadwerkelijk te vertonen, heeft dat vaak te maken met:

  • onvoldoende tijd;
  • onvoldoende financiële middelen;
  • fysiek niet in staat zijn het te doen;
  • het feit dat de vaardigheid veel creatieve of mentale energie vereist;
  • het feit dat de vaardigheid veel aanpassing van je bestaande routines vraagt.

 

Als het niet lukt om met nieuw gedrag te beginnen of dit vol te houden, onderzoek dan eens of dat aan een van deze vijf oorzaken ligt. Wellicht kun je het dan oplossen.

 

Capaciteit vergroten

Om je capaciteit of vaardigheid te vergroten kun je aan de slag gaan met de vaardigheid zelf. Wat moet je kunnen voor het nieuwe gedrag, hoe kun je dat het best leren en oefenen? Wanneer je meer positieve feedback wilt geven, maar daartoe nog niet goed in staat bent, kun je een training volgen en het geleerde in de praktijk gaan oefenen. Hiermee vergroot je je capaciteit. Je kunt ook het gedrag zelf kleiner of leuker maken. Dat maakt het makkelijker. Begin met iets wat je al kunt en wat je leuk vindt, bijvoorbeeld elke dag een compliment aan een collega geven. Dat geeft zelfvertrouwen en stimuleert om door te gaan. Door gedrag klein te maken kun je het beter automatiseren, oftewel er een gewoonte van maken. Wanneer het je na verloop van tijd geen moeite meer kost, geeft dat de drive om verder te gaan en de volgende stap(jes) te zetten.

 

Hulpvragen om je capaciteit te vergroten

  • Is mijn gewenste gedrag makkelijk?
  • Vind ik het leuk om te doen?
  • Kan ik het al, of moet ik nog iets leren?
  • Zet ik haalbare stappen?
  • Hoe kan ik de stappen nog kleiner maken?
  • Waarom zou het nieuwe gedrag niet kunnen lukken, welke obstakels zou ik tegen kunnen komen? Hoe zou ik die kunnen oplossen?
  • Wat kan ik, van wie of hoe, leren om hier beter in te worden?

 

Omgeving

De derde aanjager van gedrag is de omgeving. Hierbij gaat het om dingen in je omgeving die (gewenst) gedrag uitlokken, ook wel triggers genoemd. Onze omgeving heeft veel meer invloed op ons gedrag dan we denken. Veel van onze gewoontes zijn erop gebaseerd. Bedenk maar eens wat je allemaal doet zodra je je kantoor binnenstapt. Je zet je tas neer, doet je computer aan, haalt een kop koffie. Wanneer je een ochtend thuis werkt, is de trigger die je ‘gewone’ gedrag aanzet, in dit geval het feit dat je op kantoor komt, niet aanwezig en je gedrag zal er dan ook anders uitzien. Dit kan je gebruiken als je je gedrag wilt veranderen en nieuw gedrag wilt inslijten. Om een eenvoudig voorbeeld te geven: stel, je wilt vaker water drinken in plaats van koffie, dan moet je in je omgeving iets veranderen waardoor je eraan herinnerd wordt. Je kunt bijvoorbeeld een post-it op je koffiemok plakken met ‘water’. Als je vervolgens maar vaak genoeg in plaats van koffie water hebt gehaald, wordt dit op een gegeven moment je automatische gedrag.

Een andere praktische manier om de omgeving en triggers te gebruiken is door het koppelen van je nieuwe gewenste gedrag aan een bestaande gewoonte. Je formuleert je nieuwe gedrag als volgt: ‘Als ik dit doe… (bestaand gewoontegedrag), dan doe ik ook… (nieuw, gewenst gedrag). Om bij het voorbeeld te blijven: ‘Als ik koffie ga halen op kantoor, drink ik ook een glas water.’ Het koffie halen is gedrag dat al in gang gezet wordt doordat je op kantoor komt, en het toevoegen van het glas water is dan nog maar een kleine stap.

 

Als je dingen anders wilt doen, zijn de triggers in de omgeving ongelofelijk belangrijk. En meestal vergeten we die juist. We willen iets, en kunnen het ook wel, maar vergeten het weer, omdat we onze omgeving niet hebben aangepast. Hoe meer triggers we in onze omgeving inbouwen die het gedrag oproepen, hoe beter het is. We moeten daar dus goed over nadenken en dat nieuwe gedrag, inclusief de triggers, ‘ontwerpen’.

 

Hulpvragen voor goede triggers

  • Hoe herinner ik mezelf eraan het gedrag te gaan vertonen?
  • Welke dingen kan ik in mijn omgeving veranderen zodat ik het gedrag ga vertonen?
  • Waar kan ik noteren dat het gelukt is?
  • Zijn er zaken in mijn omgeving die mijn gewenste gedrag tegenhouden?
  • Aan welk bestaand gedrag kan ik mijn nieuwe gedrag koppelen (als ik dit doe, dan doe ik ook…)?
  • Hoe ga ik mezelf een positief gevoel geven als het is gelukt?

 

Tekort opvangen

Als je ergens goed in bent (capaciteit is hoog), ben je waarschijnlijk ook gemotiveerd om er nog beter in te worden. Gedrag heeft ook invloed op capaciteit: als je iets vaker doet, word je er beter in. Zo hangen alle factoren met elkaar samen en beïnvloeden ze elkaar. Dat geldt ook voor capaciteit en motivatie, maar de ene kan in dit geval ook een tekort van de andere gedeeltelijk opvangen. De trigger moet in alle gevallen aanwezig zijn. Stel, je bent heel gemotiveerd om uit te vinden hoe je je prachtige nieuwe laptop kunt gebruiken. Je kunt het alleen nog niet zo goed, want met dit model heb je nog nooit gewerkt: je vaardigheid is niet zo hoog. De kans is dan toch groot dat je het gaat doen, je wilt het tenslotte heel graag. Andersom kan ook: stel, je wil iets doen waar je niet zo gemotiveerd voor bent, dan kan dat gebrek aan motivatie als het ware opgevangen worden door een ‘hoge capaciteit’ als het gedrag heel gemakkelijk voor je is. Een voorbeeld: een betaling doen is niet per se een taakje dat veel mensen leuk vinden. Met een betaalverzoek dat je via een appje binnenkrijgt (de trigger), wordt het ons zo makkelijk gemaakt dat de meeste mensen het direct doen.

 

Gedrag veranderen voor meer werkgeluk: ontwerp het!

Voor het veranderen van gedrag is het belangrijk dat je je nieuwe, gewenste gedrag zorgvuldig ontwerpt. Dan heb je de grootste kans op succes. We zetten de ontwerpstappen nog even op een rijtje:

  • Stap 1: onderzoek je motivatie. Wat is je doel precies? Waarom wil je deze uitkomst graag? Welk gedrag is daarvoor nodig?
  • Stap 2: onderzoek je capaciteiten. Kun je het gedrag uitvoeren? Beschik je over de benodigde capaciteiten? Of heb je nog dingen nodig om het makkelijk en klein te maken?
  • Stap 3: zoek naar de juiste triggers in de omgeving. Wat in de omgeving gaat ervoor zorgen dat je het voorgenomen gedrag niet vergeet? Wat gaat je nieuwe gedrag uitlokken?

 

Annie: ‘Kan ik ook andere mensen helpen hun gedrag te veranderen? Ik heb bij sommige collega’s wel wat ideetjes…’

Je bent niet de enige die graag het gedrag van een ander zou willen veranderen. Gedragswetenschappers zeggen echter dat je vooral moet focussen op je eigen gedrag. Daar heb je meer invloed op. En dat heeft ook effect op anderen: goed voorbeeld doet goed volgen. 

Inhoudsopgave